Vrijwilliger valt uit hoge kerstboom. Wie is aansprakelijk voor zijn letselschade?

Een gemeente heeft met dorpskernen afspraken gemaakt over het plaatsen van kerstbomen.  Een dorpskern schakelt de vrijwilligersorganisatie Speelruimte in om dit uit te voeren. Een vrijwilliger helpt bij het kappen van een hoge kerstboom. Die staat nog in een tuin en moet omgezaagd worden voordat hij op het dorpsplein kon worden geplaatst. Hij klimt in de boom om een trektouw aan te brengen, valt uit de boom en loopt een dwarslaesie op.

Hij stelt diverse partijen aansprakelijk. Zijn vordering wordt beoordeeld door het Hof ‘s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:1701). Het hof oordeelt dat noch de Dorpsraad noch de gemeente aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Vervolgens beoordeelt het hof of de vrijwilligersorganisatie aansprakelijk is.

Er ging van alles mis

De  hoge spar stond nog in een tuin en moest eerst worden omgezaagd voordat deze op het dorpsplein kon worden geplaatst. De vrijwilligers wilden de boom omzagen en hadden een hoogwerker meegenomen, maar deze kon vanwege de grote afmetingen niet in de tuin worden gereden. Een ladder hadden zij ook niet. Deze stond in een speeltuin op 600 à 700 meter verderop. De ongelukkige vrijwilliger is toen met behulp van een zetje en zonder beschermende maatregelen de boom in geklommen om een trektouw aan te brengen om de boom te geleiden bij het omtrekken. Toen hij op een hoogte van ongeveer drieënhalf meter was, is hij naar beneden gevallen en is hij met zijn rug op het tuinhuisje van de buurman gevallen.

Is de vrijwilligersorganisatie aansprakelijk als werkgever?

De vrijwilliger stelde dat er sprake was van een werkgever – werknemer relatie ex artikel 7:658 BW. Op basis van deze werkgeversaansprakelijkheid, is een werkgever verplicht te zorgen voor een veilige werksituatie. Indien hiervan geen sprake is moet de werkgever zijn volledige schade vergoeden. De enige uitzondering hierop is als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Volgens het vierde lid van dit artikel is de werkgever ook aansprakelijk voor ongevallen die de door hem ingeschakelde zzp’er, stagiaire of vrijwilliger overkomen. De Hoge Raad bevestigde dat het artikel ook van toepassing kan zijn bij vrijwilligerswerk. Er moet dan wel sprake zijn van een vrijwilliger die in een met een werknemer vergelijkbare positie verkeert en daarom aanspraak heeft op dezelfde door de werkgever in acht te nemen zorg. Zo nam de Hoge Raad aan dat een vrijwilliger die reparatiewerkzaamheden verrichtte aan het dak van een parochie en van het dak viel, de parochie aansprakelijk kon houden (ECLI:NL:HR:2017:3142, NJ 2018/209). Bepalend is of de werkzaamheden feitelijk tot de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de werkgever behoren.

Echter in de zaak van de vrijwilliger en de kerstboom was volgens het hof werkgeversaansprakelijkheid niet aan de orde. Er was geen sprake van een positie die vergelijkbaar was met die van een werknemer. De vrijwilliger was niet verplicht om mee te doen aan de kerstbomenactie en was nergens aan gebonden. Daarbij bleek uit getuigenverklaringen dat er geen taakverdeling was gemaakt voor het omzagen van de kerstboom en dat er ook geen sprake was van een gezagsverhouding zoals tussen een werkgever en werknemer.

Het hof achtte de stichting wel aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. De stichting had moeten beseffen dat het omzagen van een boom van 6 meter een gevaarlijke activiteit was. De kans dat er iets mis zou gaan is groot en de gevolgen daarvan kunnen zeer ernstig zijn. Er rustte daarom een zorgplicht op de stichting. Door de schending van deze zorgplicht is de stichting volgens het hof aansprakelijk op basis van onrechtmatige daad.

Het hof houdt rekening met het feit dat de vrijwilliger op eigen initiatief in de kerstboom geklommen is en zelf geen beschermende maatregelen heeft genomen om het gevaar te voorkomen. Het hof neemt 50 % eigen schuld van de vrijwilliger aan maar corrigeert dit op grond van de billijkheidscorrectie zodat de vrijwilliger uiteindelijk 25 % van zijn schade zelf moet dragen.

Conclusie

Nu het hof van mening is dat de vrijwilliger niet in een met een werknemer vergelijkbare positie verkeert, krijgt deze zijn volledige schade niet vergoed. Wel wordt een onrechtmatige daad aangenomen, maar het hof neemt daarbij een deel eigen schuld aan.

Gelet op de blijvende verlamming van het slachtoffer met als gevolg rolstoelafhankelijkheid, diverse lichamelijke beperkingen en psychische klachten, is dit een zware uitkomst voor de vrijwilliger.

Heeft u tijdens uw (vrijwilligers)werk een ongeval gehad met letselschade als gevolg en wilt u weten wie u aansprakelijk kunt stellen of wat uw mogelijkheden zijn om de schade te verhalen? Neem gerust contact met ons op en leg uw vraag vrijblijvend aan ons voor.

Letselschade tijdens sport en spel: aansprakelijkheid na een overtreding

Bij een voetbalwedstrijd op amateurniveau raakte een voetballer in 2005 zwaar geblesseerd toen een tegenstander een sliding inzette op zijn linkerbeen (ECLI:NL:GHARL:2020:319). Dit zorgde voor ernstige letselschade en leidde uiteindelijk tot de amputatie van zijn onderbeen. De zaak kwam voor de rechter en de rechtbank stelde vast dat het letsel inderdaad was veroorzaakt door de sliding, maar vond dat deze niet onrechtmatig was.

Begin 2020 is de voetballer in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hij voert aan dat er wel degelijk sprake is van een onrechtmatige daad, wat onder meer blijkt uit de ernst van de gevolgen. Het hof komt net als de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van causaal verband tussen het letsel en de sliding, maar dat de onrechtmatigheid hiervan niet kan worden bewezen.

Juridisch kader

In sport- en spelsituaties wordt een bijzondere maatstaf aangelegd bij de beoordeling van aansprakelijkheid. Deelnemers aan een sportieve activiteit hebben tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt van elkaar te verwachten. Dit is eerder zo bepaald door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1991:ZC0300). Vanwege dit uitgangspunt wordt onrechtmatigheid bij sportovertredingen of ongelukken minder vaak aangenomen. Vaak leidt dit tot onzekerheid rondom de vraag wie aansprakelijk kan worden gehouden. Zie hiervoor ook onze pagina over sportongevallen.

In zijn arrest van 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1239, NJ 2004/238) overweegt de Hoge Raad dat deelnemers aan een spel tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede en onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen over en weer van elkaar mogen verwachten. De overtreding van de spelregels is een factor bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gedraging, maar enkel het overtreden van de spelregels maakt de gedraging op zichzelf nog niet onrechtmatig. Er moet ook sprake zijn van een actie die gedoeld lijkt te zijn op het toebrengen van ernstige schade, te classificeren als “ernstig gemeen spel”.

De bekendste zaak van letselschade tijdens sport die in dit verband door de Hoge Raad is behandeld, betreft de zaak van Go Ahead Eagles-speler, Niels Kokmeijer. Hij liep ernstig letsel aan zijn been op na een sliding van een Sparta-speler. Er volgde een strafzaak en een civiele zaak. In allebei de zaken werd Kokmeijer in zijn gelijk gesteld en zijn tegenstander aansprakelijk gehouden.

In de strafzaak die aan de procedure bij de Hoge Raad vooraf ging, moest beoordeeld worden of er sprake was van opzet (tot het plegen van zware mishandeling) (ECLI:NL:HR:2008:BB7087). Volgens het hof was er sprake van voorwaardelijk opzet omdat de verdachte bewust was van de aanmerkelijke kans dat zo’n ernstig gevolg zou intreden en deze kans had aanvaard. De Hoge Raad sloot zich hierbij aan. De voetballer werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.

Het bewijzen van de onrechtmatigheid in de civiele zaak was vervolgens niet zo moeilijk meer omdat nu vaststond dat er sprake was van opzet. Hij werd in de civiele zaak aansprakelijk gehouden en moest een schadevergoeding betalen. Alleen al het voorschot bedroeg 100.000 euro.

Het Aansprakelijkheidsverzekering Informatie Centrum (AIC) heeft naar aanleiding van de Kokmeijer-zaak in 2018 onderzoek gedaan naar alle rechtszaken van ernstige overtredingen tijdens voetbalwedstrijden over een tijdspanne van veertien jaar. Opvallend is dat aansprakelijkheid altijd kwam vast te staan als de tegenstander een rode kaart van de scheidsrechter had gekregen. Het kwam maar één keer voor dat een speler die een rode kaart had gekregen niet aansprakelijk werd gehouden door de rechter. Volgens het AIC kan hieruit worden afgeleid dat de rechter de rode kaart als een bewijs voor (voorwaardelijk) opzet ziet. Dan kan de onrechtmatigheid makkelijker worden bewezen.

Geen rode kaart

In de zaak uit 2005 waarbij het onderbeen van de voetballer moest worden geamputeerd, had de tegenstander geen gele of rode kaart van de scheidsrechter gekregen. Hier nam het Hof geen aansprakelijkheid aan. De advocaat van het slachtoffer bracht hier tegenin dat de scheidsrechter op het moment van de sliding niet in de buurt was en de sliding niet goed had gezien. Als hij deze wel gezien zou hebben, zou hij volgens hem wel een rode kaart uitgedeeld hebben. Hier ging het hof niet in mee.

De advocaat van het slachtoffer stelde vervolgens dat op grond van de ernst van het letsel kon worden aangenomen dat er sprake was van een ernstige overtreding en daarom van onrechtmatigheid. Het been van de voetballer moest als gevolg van de overtreding immers worden geamputeerd. Het hof ging hier niet in mee omdat de ernst van de gevolgen van een gedraging deze op zich nog niet onrechtmatig maken. Er kan namelijk ook sprake zijn van ernstig letsel bij een zeer lichte overtreding binnen de grenzen van rechtmatigheid. Andersom kan er ook sprake zijn van onrechtmatigheid terwijl de ernst van de gevolgen beperkt blijft.

Volgens het hof is onvoldoende bewezen dat de sliding een zodanig buitensporige actie was dat die niet in het spel verwacht zou hoeven worden. Het hof wijst dan ook de vordering van de voetballer af.

Mogelijk wordt in deze zaak nog cassatie ingesteld bij de Hoge Raad en wordt de uitkomst van deze zaak nog anders.

Schending zorgvuldigheidsnorm

Wanneer een rode kaart is uitgedeeld wordt aansprakelijkheid dus sneller aangenomen. Het is echter geen voorwaarde voor aansprakelijkheid. Zo laat een zaak uit 2009 zien die door de Rechtbank Haarlem werd behandeld (ECLI:NL:RBHAA:2009:7675). Een keeper kwam met uitgestrekte benen op  de aanvaller af en schopte hem onderuit. De keeper kreeg geen gele of rode kaart maar de rechtbank hield hem wel aansprakelijk. Uit verklaringen van getuigen bleek dat hij zijn actie nog had kunnen stoppen, maar deze toch had doorgezet. De tackle was daarom volgens de rechtbank zodanig gevaarlijk, slecht gecoördineerd, verkeerd getimed en/of weinig doordacht, dat de keeper een zorgvuldigheidsnorm binnen het spel had geschonden waarop de tegenstander van de keeper niet bedacht hoefde te zijn.

In Nederland wordt veel gesport op professioneel en op amateur niveau. Bij alle sporten ontstaan ongelukken, soms met letselschade tot gevolg. Omdat spelers in sport- of spelsituaties nu eenmaal onverwachte gedragingen van elkaar hebben te verwachten, wordt niet snel wordt aangenomen dat een gedraging onrechtmatig is. Heeft u letselschade tijdens sport- of spel opgelopen en wilt u onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om uw schade te verhalen, neemt u dan contact met ons op en leg uw vraag vrijblijvend aan ons voor.

 

‘Ken je vak!’ in VVP 5

In VVP 5, het vakblad voor financieel adviseurs, is een artikel van mijn hand over rekenrente en letselschade uitgekomen. Hierin bespreek ik recente rechterlijke uitspraken over de rekenrente die gebruikt wordt om toekomstschades van slachtoffers te berekenen. Op dit moment is de rekenrente negatief. Dat heeft grote gevolgen voor de hoogte van de uit te keren schadevergoedingen.

Klik hier voor mijn bijdrage. De volledige editie van VVP 5 kunt u hier lezen.

 

Nieuwsbrief Schade Magazine week 42

Op 16 oktober 2020 kwam de nieuwsbrief van week 42 van het Schade Magazine uit, het onafhankelijke vakblad voor alle professionals in de schadewereld. Hierin worden deskundige en prikkelende artikelen uit verschillende schadedisciplines uitgelicht, waaronder een artikel van Maya Spetter, over de berekening van zwarte inkomsten bij schadevergoeding in de zaak van een kickbokser. Maya Spetter is advocaat, gespecialiseerd in letselschade en aansprakelijkheidsrecht. Zij staat slachtoffers bij na een ongeval in het verkeer, arbeidsongevallen en medische fouten. Zij staat haar cliënten bij met specialistische kennis, deskundig advies en een persoonlijke benadering.

Lees hier het artikel van Maya Spetter en hier de volledige nieuwsbrief van het Schade Magazine.

Tellen zwarte inkomsten ook mee bij de berekening van schadevergoeding?

Op 27 mei 2018 raakt een zelfstandig ondernemer, werkzaam als personal kickbokstrainer, betrokken bij een verkeersongeval met een andere automobilist (ECLI:NL:RBNHO:2020:284). De aansprakelijkheid voor het ongeval wordt erkend. Door het ongeval is er sprake van inkomensschade. De voorzieningenrechter buigt zich over de vraag of de zwarte inkomsten van het slachtoffer meegenomen behoren te worden bij de berekening van de schadevergoeding.

Wie eist bewijst

Net als met gewone inkomsten moeten zwarte inkomsten in de eerste plaats aangetoond worden. De bewijslast hiervan ligt bij het slachtoffer. Hiertoe kan een verklaring van een werkgever nodig zijn. Andere manieren om het inkomen aan te tonen zijn bijvoorbeeld bankafschriften waaruit betalingen blijken, een administratie of verklaringen van getuigen waaruit blijkt dat voor werkzaamheden is betaald, hoeveel en gedurende welke periode.

Daarnaast moet het ook aannemelijk zijn dat de benadeelde zijn werkzaamheden voor langere tijd had kunnen voortzetten, als het ongeval niet had plaatsgevonden.

Opties van de rechter

Als kan worden bewezen dat er sprake is van zwarte inkomsten, is de vraag of en hoe deze worden meegenomen bij het vaststellen van de letselschadevergoeding. Richtinggevend is hiervoor een uitspraak van de Hoge Raad van 24 november 2000 (ECLI:NL:PHR:2000:AA8453). Hierin legt zij uit welke twee opties de rechter heeft als deze besluit de zwarte inkomsten te betrekken in de berekening van de schadevergoeding.

De rechter kan een schatting maken van het netto-inkomen dat het slachtoffer zou hebben gehad wanneer de belasting en premie wel netjes waren ingehouden. Dat bedrag gebruikt hij dan bij de berekening van de omvang van de schadevergoeding.

Een andere optie is dat de rechter beslist dat de volledige zwarte inkomsten worden meegenomen bij de berekening van de schadevergoeding. Dit kan echter alleen als de rechter het zeer waarschijnlijk acht dat de werkgever/opdrachtgever de belasting en premie op het moment van de uitbetaling voor zijn rekening zou hebben genomen.

Onrechtmatig belang

In de zaak van de kickbokstrainer vroeg de rechter zich af of de klanten van het slachtoffer daadwerkelijk bereid zouden zijn geweest meer te betalen voor de kickboks trainingen.

De voorzieningenrechter besluit in deze zaak geen van de eerder genoemde opties te volgen en de uitspraak van de Hoge Raad ruimer te interpreteren. Hij beroept zich op een leerstuk in het Nederlandse recht dat nadeel aan niet-rechtmatige belangen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt. Hij stelt dat het zwarte inkomen van het slachtoffer voor de gegeven kickboks trainingen, gelijk staat aan het ontduiken van belastingen. Hoewel het geven van kickboks trainingen geen verboden beroep of activiteit is, wijst de voorzieningenrechter de vordering helemaal af.

Bij schadevergoeding is er sprake van een vergoeding van het nadeel dat het slachtoffer geleden heeft. In dit geval is sprake van geleden schade door gemiste inkomsten. Het is volgens de rechter echter de vraag of die schade ook moet worden vergoed door de wederpartij.

De voorzieningenrechter stelt dat gekeken moet worden in hoeverre het nadeel dat geleden is in een rechtmatig belang getroffen is. Hij vindt dat zwart inkomen, waarbij sprake is van belastingontduiking , een niet-rechtmatig belang is.

Vervolgens oordeelt hij dat deze zwarte inkomsten niet moeten worden meegenomen in de berekening van de schadevergoeding.

Eerdere uitspraken

De uitspraak van de voorzieningenrechter is niet in lijn met eerdere uitspraken.

In een zaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6510) ging het om een man die zwart bijkluste. Het hof berekende de schadevergoeding van het slachtoffer in deze zaak door het netto-inkomen te berekenen dat hij zou hebben ontvangen als hij tot zijn 65e zou hebben doorgewerkt. Hierop werd vervolgens een korting toegepast omdat niet met zekerheid te zeggen was of hij tot zijn 65e zou hebben doorgewerkt.

In een andere zaak van een restaurant houdster met letsel (ECLI:NL:GHARL:2018:1661) concludeerde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden  dat zij onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van haar zwarte inkomsten. De stelling dat zij zich haar huidige leefstijl niet kon veroorloven op basis van alleen haar witte inkomsten, volstond niet. Zij had hiervoor meer bewijs moeten leveren en was daar niet in geslaagd.

De Rechtbank ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de schadevergoeding berekend moest worden op basis van het geschatte netto-inkomen van het slachtoffer (ECLI:NL:RBSHE:2011:BT2397: ASR). De rechtbank overwoog dat de kans aanwezig was dat de belastingdienst achter de zwarte inkomsten zou zijn gekomen of dat het slachtoffer deze zelf zou hebben opgegeven.

In deze zaken is dus vooral het discussiepunt of het slachtoffer zijn zwarte inkomsten wel kan aantonen en of het slachtoffer op enig moment met zijn zwarte inkomen tegen de lamp zou zijn gelopen bij de belastingdienst. Of gaat het om de vraag wat het slachtoffer over zou hebben gehouden als hij de inkomsten wel netjes had opgegeven.

De enige uitspraak waarin de rechter vond dat de zwarte inkomsten niet moesten worden meegenomen bij de berekening van de schadevergoeding, hoewel deze wel waren aangetoond, betrof een zaak waarbij er sprake was van het verspreiden van kinderporno. In deze zaak stelde het Hof dat de benadeelde niet in aanmerking kwam voor een vergoeding van het inkomen omdat dat uit illegale activiteiten voort kwam.

Het geven van kickboks trainingen is echter geen illegale activiteit en de vraag is of het niet afdragen van belastingen en premies maakt dat er sprake is van een niet-rechtmatig belang zoals de voorzieningenrechter in de zaak van de kickbokser vond.

Mijn verwachting is dat deze uitspraak geen stand zal houden.

Heeft u een vraag over het berekenen van de schadevergoeding in uw letselschade zaak, leg deze dan gerust voor.

 

letselschade zelfstandigen

Onderzoek langlopende letselschadezaken

Regelmatig is in het nieuws dat letselschade zaken heel lang kunnen duren. Al eerder publiceerden wij een artikel over een zaak waarin een verzekeraar is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding wegens traineren.  Die moest een aanvullende vergoeding van € 10.000 hiervoor betalen aan het slachtoffer.

In september 2020 hebben onderzoekers van de Universiteit van Utrecht een onderzoek afgerond naar langlopende letselschadezaken. Zij hebben in opdracht van de Letselschade Raad onderzocht hoe het komt dat letselschadedossiers niet binnen twee jaar zijn afgesloten.

In totaal hebben 195 slachtoffers met een langlopend letselschadedossier meegedaan aan het vragenlijstonderzoek. De onderzoekers hebben verder 201 letselschadedossiers geanalyseerd bij 13 aansprakelijkheidsverzekeraars in Nederland.

Wat zijn langlopende letselschadezaken?

Langlopende letselschadezaken zijn zaken die niet binnen twee jaar zijn afgesloten; dus zaken waarin de vordering van het slachtoffer niet binnen twee jaar definitief is afgewikkeld. Het onderzoek gaat ervan uit dat 90% van alle letselschadezaken binnen twee jaar wordt afgesloten. In het onderzoek zijn letselschadezaken als gevolg van verkeersongevallen, arbeidsongevallen en privéongevallen bestudeerd. Dit type zaken betreft het overgrote merendeel van de bij aansprakelijkheidsverzekeraars bekende letselschadedossiers. Omdat enkel langlopende letselschadezaken zijn onderzocht, kunnen de conclusies van dit onderzoek niet zonder meer worden doorgetrokken naar alle letselschadezaken in Nederland.

Belangrijkste conclusies van de onderzoekers

Ontbreken medische eindtoestand

Volgens de onderzoekers is de meest voorkomende reden van langlopende afwikkeling van letselschades het ontbreken van een medische eindtoestand. Met andere woorden: het herstel na het oplopen van het letsel is nog niet volledig bekend. Dan is ook nog niet vast te stellen wat de uiteindelijke schade is die het slachtoffer heeft opgelopen.

Vaststellen blijvende beperkingen en discussie over medische causaliteit

Ook het vaststellen van de blijvende beperkingen bij het slachtoffer leidt vaak tot extra tijdsbeslag. Eén of meer medisch deskundigen moeten hun oordeel geven.

Wat ook veel tijd kost, is het vaststellen of de klachten ook daadwerkelijk zijn veroorzaakt door het ongeval. Als de klachten ook al vóór het ongeval bestonden, komen die uiteraard niet voor vergoeding in aanmerking. Slachtoffers ervaren het als negatief dat de aansprakelijkheidsverzekeraar veel tijd besteedt aan het onderzoeken of de klachten niet al vóór het ongeval bestonden, terwijl daar volgens hen geen sprake van is. Pas als dat alles in kaart is gebracht, volgt de discussie over de hoogte van de schadevergoeding.

Groot aantal betrokkenen bij afwikkeling letselschade

Verder zorgt het aantal betrokkenen bij de afwikkeling van letselschade voor het grote tijdsverloop. Het consumenten-televisieprogramma  Radar maakte eerder een animatie hoeveel mensen betrokken zijn bij de afhandeling van letselschade. Behalve het slachtoffer en zijn belangenbehartiger, zijn er bijvoorbeeld medisch adviseurs van zowel het slachtoffer als van de verzekeraar, de schadebehandelaar van de verzekeraar, één of enkele specialistische artsen en andere (herstelgerichte) dienstverleners op wie een beroep wordt gedaan. In sommige gevallen is ook een rechter of een mediator betrokken.

Wat zijn onze ervaringen met letselschades en aan welke oplossingen denken wij?

Veel van de knelpunten die de onderzoekers noemen, ervaren wij ook in onze letselschade praktijk waarbij wij uitsluitend optreden voor slachtoffers. Wanneer de financiële schade groot is, moet er uiteraard veel worden uitgezocht. Het is immers belangrijk dat een slachtoffer krijgt waarop hij recht heeft en dat een verzekeraar betaalt wat hij moet betalen. De vraag is echter of niet te veel tijd en geld wordt gestoken in het onderzoeken van alle aspecten, zonder dat partijen gezamenlijk  bepalen wat de problemen van het slachtoffer oplost.

Uit een recent onderzoeken van Radar blijkt dat bij meer dan de helft van de letselschadeslachtoffers een discussie is ontstaan over het causaal verband tussen het ongeval en de opgelopen letselschade.

Opvallend is dat zo’n 55 procent van de slachtoffers zich volgens Radar eerder dader voelt door de wijze waarop zij door de verzekeraars worden behandeld. De discussies gaan bij ongeveer twee op de drie zaken over medische bewijslast. Daarnaast gaan bij meer dan 50 procent van de zaken discussies over de hoogte van de schadevergoeding. Bovendien geeft twee op de drie personen aan dat zij het gevoel hebben dat de schadeafwikkeling onnodig wordt vertraagd.

Ook wij zien dat aanvullend onderzoek wordt gevraagd, ook door rechtbanken, en niet wordt gekeken waar partijen op dat moment staan en wat hen verdeeld houdt.

Het maken van goede werkafspraken en regelmatig overleg tussen het slachtoffer en zijn belangenbehartiger en de verzekeraar is een eerste stap naar sneller werken.

Ook zou in veel meer zaken na twee jaar mediation moeten worden ingezet.

Er lopen experimenten om te gaan werken met één medisch adviseur. Niet alle zaken lenen zich voor een behandeling door één medisch adviseur, maar het kan winst zijn wanneer in een aantal zaken hiervoor gekozen wordt.

Het Verbond van Verzekeraars wil dat normering doorgevoerd wordt. De vraag is of normering een oplossing biedt voor trage reactietermijnen van verzekeraars. Daarnaast lost normering de vele discussies over het medisch causaal verband niet op. Door normering kunnen ook fundamentele rechten van slachtoffers worden aangetast. Wanneer normering wordt ingevoerd, zullen bepaalde schadeposten niet meer volledig vergoed worden. Hierdoor kunnen slachtoffers in de financiële problemen raken.

Nederland daagt Rusland voor het EHRM om neerhalen vlucht MH17

Op basis van de conclusies van het Joint Investigation Team (JIT) besluit het Kabinet Rusland voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te dagen vanwege zijn rol in het neerhalen van vlucht MH17 in juli 2014. Een groep nabestaanden diende al eerder een klacht tegen Rusland in bij datzelfde hof (zie hier het eerdere nieuwsbericht).

Met het indienen van deze zogenoemde ‘statenklacht’ kan het kabinet alle beschikbare en relevante informatie over het neerhalen van MH17 ook gebruiken als ondersteuning van de klacht van de nabestaanden. De inhoud van de statenklacht wordt gelijktijdig en als onderdeel van de Nederlandse interventie in de individuele klachtprocedures van nabestaanden tegen Rusland bij het EHRM ingebracht. Met deze stap ondersteunt het kabinet maximaal de individuele klachten van nabestaanden van de slachtoffers van vlucht MH17 bij het EHRM. Nederland komt met deze statenklacht bovendien op voor alle 298 MH17-slachtoffers, van 17 verschillende nationaliteiten, en hun nabestaanden.

In 2018 stelde Nederland, samen met Australië, Rusland al aansprakelijk voor zijn aandeel in het neerhalen van vlucht MH17. Het kabinet vindt het belangrijk dat de gesprekken met Rusland in het kader van staatsaansprakelijkheid worden voortgezet. Deze hebben als doel tot een oplossing te komen die recht doet aan het enorme leed en de toegebrachte schade die veroorzaakt is door het neerhalen van vlucht MH17.

Minister Blok (Buitenlandse Zaken): “Het bereiken van gerechtigheid voor 298 slachtoffers van het neerhalen van vlucht MH17 en hun nabestaanden is en blijft de hoogste prioriteit voor het kabinet. Met de stap die we vandaag zetten, door een zaak aan te spannen bij het EHRM en daarmee de klachten van de nabestaanden zoveel als mogelijk te ondersteunen, komen we dichter bij ons doel.”

Dit traject staat los van de strafzaak tegen drie Russen en een Oekraïner die in maart van dit jaar is begonnen. Volgens het Openbaar Ministerie (OM) hebben de mannen een aandeel in het neerhalen van de vlucht en daarmee de dood van de 298 inzittenden. Deze zaak is eind augustus hervat.

Mr. Maya Spetter maakt deel uit van het Rechtsbijstandsteam MH17. Zij staat een aantal nabestaanden uit Nederland en andere landen bij zowel in de strafzaak als in de procedure bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Het Rechtbijstandsteam is blij dat de Nederlandse Staat zich nu in de procedure bij het EHRM voegt: “het is voor ons moeilijk om allerlei technisch bewijs aan te leveren of ingebracht technisch bewijs te ontkrachten. Door de voeging komt kennis samen en hopen wij dat de belangen van onze cliënten zo goed mogelijk gediend worden.

Bedankt voor uw inzet en advies/hulp

Bedankt voor uw inzet en advies/hulp. Mocht er iemand in mijn omgeving ooit in een soortgelijke situatie terechtkomen dan zal ik ze zonder aarzelen doorverwijzen naar u. Er zijn nog weinig mensen die echt vanuit hun hart werken en waarbij je niet gezien wordt als een nummer.

Groetjes Lucia

 

Ik wil jullie ontzettend bedanken! Maya in het bijzonder.

Lieve allemaal!

Ik wil jullie ontzettend bedanken! Maya in het bijzonder.

Liefs,

Stephanie en de kinderen

 

 

Gewelddadige overvaller van juwelier op de Kamp moet vrezen voor een lange gevangenisstraf

Verslag van zitting Rechtbank Utrecht in zaak waarin ik juwelier en zijn vader bijsta na gewelddadige overval. Op 30 juli 2020 zal de Rechtbank uitspraak doen.

https://www.ad.nl/amersfoort/gewelddadige-overvaller-van-juwelier-op-de-kamp-moet-vrezen-voor-een-lange-gevangenisstraf~a93f09dc/

Spetter in VVP katern letselschade

In de nieuwe editie van VVP een “Katern Letselschade” waaraan Maya Spetter een bijdrage heeft geleverd.

 

Rekenrente en letselschade?

De hoogte van de rekenrente is bij het berekenen van de toekomstschade van een slachtoffer met letselschade al jaren punt van discussie.

Berekening van toekomstschade en rekenrente

Als u letselschade heeft geleden waarvoor een ander aansprakelijk is, dan is de aansprakelijke partij verplicht om uw schade te vergoeden. Niet alleen de schade die u al heeft geleden, maar ook de schade die u in de toekomst zult lijden, moet worden vergoed. Dat blijkt uit art. 6:105 BW.  Maar hoe moet die toekomstige schade worden berekend en uitgekeerd? Vaak wordt die toekomstschade met een som ineens aan u vergoed. Er wordt dan een zo goed mogelijke inschatting gemaakt van de toekomstige schade waarmee u geconfronteerd wordt. Alle verschillende schadeposten worden bij elkaar opgeteld en dat leidt dan tot een totaal bedrag aan toekomstschade. Hierbij kunt u denken aan toekomstig verlies aan arbeidsvermogen, doordat u vanwege het ongeval minder inkomsten heeft of omdat uw carrièremogelijkheden ten gevolge van het ongeval zijn afgenomen. Maar bijvoorbeeld ook aan toekomstige kosten voor het inschakelen van huishoudelijke hulp, te maken medische kosten, onderhoud van huis en tuin, extra kosten van vervoer etc.

Als de toekomstschade middels een som ineens wordt vergoed, moet deze schade worden gekapitaliseerd en berekend worden vanaf een gekozen datum. Daarbij wordt rekening gehouden met de inflatie en het mogelijke rendement, de zogenaamde rekenrente. Het is de bedoeling dat het slachtoffer een zodanig bedrag ontvangt dat voldoende is om ieder jaar een bedrag gelijk aan zijn jaarlijkse schade op te nemen.

Jarenlang werd in de praktijk gerekend met 6% rendement en 3% inflatie. In sommige gevallen werd gerekend met een lagere rekenrente maar in vrijwel alle zaken leidde de hoogte van de te hanteren rekenrente tot verhitte discussies tussen verzekeraars en slachtoffers. In het afgelopen jaar zijn er meerdere rechterlijke uitspraken gedaan over deze rekenrente.

In 2019: drie uitspraken over rekenrente in letselschadezaken

Op 9 juli 2019 deed de rechtbank Zeeland-West-Brabant een baanbrekende uitspraak over rekenrente in letselschadezaken (ECLI:NL:RBZWB:2019:3178). In deze uitspraak heeft de rechtbank, als eerste in Nederland, aansluiting gezocht bij de conceptrichtlijn rekenrente van De Letselschade Raad. De concrete rekenpercentages zijn:

Periode Rente Inflatie Rekenrente
0 – 5 jaar 1.3% 1.5% -0.2%
6 – 20 jaar 2.2% 1.6% 0.6%
> 20 jaar 3.6% 1.9% 1.7%

Op 25 september 2019 volgde de rechtbank Midden-Nederland, met dezelfde uitgangspunten als hiervoor genoemd (ECLI:NL:RBMNE:2019:4559).

De rechtbank Gelderland volgde op 9 oktober 2019 met eveneens een duidelijke verlaging van de rekenrente, maar met een iets andere systematiek en hanteerde  de UFR-methode (ECLI:NL:RBGEL:2019:4509). In de uitspraak zijn de percentages echter per abuis omgedraaid.  Na correctie van deze vergissing zijn de percentages als volgt:

Periode Rente Inflatie Rekenrente
0 – 5 jaar 0% 0% 0%
6 – 10 jaar 1% 1% 0%
11 – 20 jaar 2.15% 1.5% 0.65%
> 20 jaar 3.3% 2.0% 1.3%

2020: rekenrente naar 0%

De rechtbank Den Haag heeft op 13 mei 2020 een voor de letselschade praktijk belangrijk vonnis gewezen end e rekenrente op een aanzienlijk lager percentage vastgesteld (ECLI:NL:RBDHA:2020:4169).

Dit heeft veel gevolgen voor het berekenen van de  toekomstschade in letselschade zaken. De rechter heeft geoordeeld dat het gaat om een redelijke verwachting ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van rente en inflatie. Het uitgangspunt hierbij is dat het slachtoffer zijn toekomstige schade daadwerkelijk moet kunnen dragen. Hierbij moet rekening worden gehouden met percentages die op dit moment realistisch zijn. Op grond hiervan heeft de rechtbank een onderverdeling gemaakt in verschillende periodes met ieder eigen percentages aan rente en inflatie, te weten:

Periode Rente Inflatie Rekenrente
0 – 5 jaar 0% 1.5% -1.5%
6 – 20 jaar 1.4% 2% -0.7%
> 20 jaar 2% 2% 0%

Een simpel rekenvoorbeeld

Het slachtoffer is een vrouw van 25 jaar oud.  Zij krijgt een auto-ongeluk. Door het ongeluk heeft zij klachten en beperkingen en zij moet huishoudelijke hulp inschakelen.  De kosten hiervan bedragen € 1.000 per jaar.  Deze schade zal tot haar 70e levensjaar vergoed worden (looptijd van 45 jaar). Op basis van een rekenrente van 3% zou zij € 24.397 ontvangen. Op basis van een rekenrente van 0%, heeft zij € 45.000 nodig om haar schade te kunnen dragen. Dit is een flink verschil. Zou een rekenrente van 3% gehanteerd worden dan zou zij al na krap 25 jaar door de vergoeding heen zijn en dus gedurende 20 jaar geld tekort komen om haar huishoudelijke hulp te betalen.

Gelukkig heeft de Rechtbank nu geoordeeld dat het maar beperkt mogelijk is om rendement te maken met het uitgekeerde bedrag. Om een hoger rendement te maken moeten risico’s genomen worden en een slachtoffer kan die risico’s niet nemen.

Als u meer informatie wilt over het berekenen van uw toekomstschade of over de schadevergoeding waarop u recht heeft, neemt u dan contact met ons op.

 

Katern ‘Letselschade’ in VVP 3

Maya Spetter

 

 

 

 

 

 

 

 

In de vandaag (dinsdag 7 juli 2020) verschenen VVP 3 onder meer het ‘katern ‘Letselschade’ in samenwerking met Allianz Benelux en met uitstekende vakverhalen van onder meer advocaat Maya Spetter, gespecialiseerd in letselschade en aansprakelijkheidsrecht. Zij is één van de weinige advocaten in Nederland die gespecialiseerd is in de juridische afwikkeling van vliegtuigongevallen. Zo maakte zij deel uit van het kernteam van advocaten dat de slachtoffers van de ramp met Turkish Airlines bijstond en maakt zij deel uit van het Rechtsbijstandsteam MH17.

Klik hier voor haar bijdrage. Het hele katern is hier te lezen.

 

Elektrische auto’s vaker betrokken bij ongevallen met zwaar letsel

Elektrische auto’s zijn populair:  in 2019 jaar steeg het aantal elektrische auto’s in ons land met 43% tot een totaal van 203.000. Maar meer elektrische auto’s op de weg heeft een keerzijde: de geruisloze en zware voertuigen vormen een groter gevaar op de weg dan traditioneel aangedreven auto’s.

Adviesbureaus Trend-Rx en Automotive Insiders concluderen dat de kans dat iemand in het verkeer zwaargewond raakt drie keer zo groot is, wanneer daarbij een elektrische auto is betrokken. De bestuurders rijden harder, trekken sneller op en de auto’s zijn geruisloos.

De grootste crux zit met name in de massa van de elektrische auto’s. Vanwege hun zware accu  zijn elektrische auto’s gemiddeld zo’n 250 kilo zwaarder dan een benzine of diesel auto van dezelfde afmeting. En hoe zwaarder het voertuig dat een ongeluk veroorzaakt, hoe groter de kans dat degene die wordt aangereden hier zwaar letsel aan overhoudt.

De onderzoekers doen een voorspelling over de ontwikkeling van elektrische auto’s in Nederland. Tegen 2030 rijden er zo’n 2,38 miljoen elektrische auto’s in Nederland. Deze auto’s zullen 11% meer schadegevallen veroorzaken dan traditioneel aangedreven auto’s. Dit heeft grote gevolgen voor verzekeraars, die hierdoor te maken krijgen met meer letselschadeclaims. Volgens de onderzoekers zijn de elektrische auto’s in 2030 goed voor 75 miljoen euro aan extra kosten vanwege letselschade. Vooral als een fietser wordt aangereden, is het reëel te veronderstellen dat het letsel ernstiger en daarmee de schade groter zal zijn.

De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek en Verkeersveiligheid (SWOV) geeft aan dat het aantal verkeersdoden niet langer afneemt. Het aantal zwaargewonden neemt toe en zonder extra veiligheidsmaatregelen zullen dat er in 2020 ruim 30.000 zijn. Vooral het aantal ongelukken tussen auto’s en fietsers neemt toe.

Het SWOV verwacht dat door de groei van het aantal elektrische auto’s er over tien jaar jaarlijks 1400 zwaargewonde verkeersslachtoffers extra zullen zijn, van wie iets meer dan de helft fietser is.

Ik vind dit een schokkend gegeven. Als we het belangrijk vinden dat Nederland een fietsland blijft en kinderen lopend of met de fiets naar school gaan, moeten we er voor zorgen dat zij dat ook veilig kunnen doen. Nog meer zwaargewonden moeten worden voorkomen.

 

Verruiming recht vrije advocaatkeuze

Op 14 mei 2020 heeft het Europese Hof van Justitie  een interessante uitspraak gewezen voor consumenten met een rechtsbijstand verzekering. Het Hof gaat in deze uitspraak in op het recht op vrije advocaatkeuze (ECLI:EU:C:2020:372). Het moment waarop een verzekerde daarop recht heeft, lijkt met deze uitspraak te zijn verruimd. Dat is goed nieuws voor mensen met zo’n verzekering.

Zo’n 2,5 miljoen Nederlanders hebben een rechtsbijstandsverzekering. Veel rechtsbijstandsverzekeraars hebben als uitgangspunt dat een verzekerde wordt geholpen door één van de juristen of advocaten die bij hen in dienst zijn.

Op het moment dat een gerechtelijke procedure gestart moet worden of tegen een verzekerde wordt gestart,  heeft de verzekerde twee keuzes: hij kan zich bij laten staan door één van de juristen/advocaten in dienst van de rechtsbijstandsverzekeraar of hij kan zelf een (externe) advocaat inschakelen op kosten van zijn verzekeraar. Dit laatste is de vrije advocaatkeuze.

Vrije keuze ook in fase voorafgaand aan een eventuele procedure

Met de uitspraak van het Hof van 14 mei 2020 wordt het recht op vrije advocaatkeuze aanzienlijk verruimd. Het Hof heeft overweegt  dat een verzekerde het recht op vrije advocaatkeuze heeft voor het buitengerechtelijke traject, oftewel de fase voorafgaand aan een (eventuele) juridische procedure. Dit recht op vrije advocaatkeuze bestond al ingeval er een procedure gevoerd moest worden. Een verzekerde mag dus zelf zijn advocaat in de arm nemen in een procedure en de rechtsbijstandverzekering moet zijn kosten vergoeden.

Het Hof overweegt: “Elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, moet worden geacht onder het begrip “gerechtelijke procedure” te vallen in de zin van art. 201 van richtlijn 2009/138 te vallen”.

Een rechtsbijstand verzekerde heeft dus in iedere fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie het recht op vrije advocaatkeuze op kosten van zijn rechtsbijstandsverzekeraar.

Wat betekent dit voor letselschadezaken?

In letselschadezaken waarin de aansprakelijkheid reeds is erkend, is het mogelijk om de redelijke kosten van rechtsbijstand te verhalen op de tegenpartij. Wanneer de aansprakelijkheid (nog) niet is erkend, moet het slachtoffer deze zelf betalen/voorschieten.

De uitspraak van het Europese Hof is dus met name voor die kwesties waarin de aansprakelijkheid ter discussie staat relevant. Wanneer het slachtoffer een rechtsbijstandverzekering heeft, kan deze alsnog een gespecialiseerd advocaat inschakelen op kosten van zijn rechtsbijstand verzekeraar. Deze kosten zullen – gelet op de uitspraak van het Hof – voortaan te verhalen zijn op de rechtsbijstandsverzekeraar. Dit geldt ook voor de vergoeding van de kosten ná een procedure.

Het Nederlandse Verbond van Verzekeraars heeft inmiddels gereageerd op de uitspraak van het Europese Hof en stelt dat deze uitspraak niet van toepassing is op Nederlandse rechtsbijstandsverzekeringen. De regel wordt weliswaar ruimer uitgelegd, maar dit ligt volgens de branchevereniging uiteindelijk aan een verschil tussen het Belgische en Nederlandse systeem. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

Er is in het afgelopen decennium veel gediscussieerd en geprocedeerd tussen rechtzoekenden en verzekeraars over de vrije advocaatkeuze. In 2013 bepaalde de rechter al dat de vrije advocaatkeuze ook van kracht is als procesvertegenwoordiging niet verplicht is. In 2016 bepaalde het Europese Hof van Justitie in een Nederlandse arbeidsrechtskwestie dat ook bij ontslagprocedures bij het UWV en bij bezwaarprocedures in het bestuursrecht het recht van vrije advocaatkeuze geldt. Meer informatie over deze uitspraken vindt u op onze pagina Rechtsbijstandsverzekering.

Iedereen kan te maken krijgen met een juridisch geschil. Heeft u een juridisch geschil, bijvoorbeeld over de erkenning van de aansprakelijkheid voor het ongeval dat u is overkomen, en wenst u uw zaak te laten behandelen door een gespecialiseerd advocaat? Neemt u dan gerust contact met ons op.

Werken tijdens coronacrisis: zo doen we dat

Alle afspraken en besprekingen hebben de afgelopen weken via WhatsApp-beeldbellen, Skype en Microsoft Teams plaatsgevonden. Het was even wennen, maar we zijn er handig in geworden en het werkt. Het is fijn om op deze manier contact te houden met onze cliënten. We hebben een plexiglas scherm geplaatst in de spreekkamer van ons kantoor, waardoor ook onze fysieke afspraken op kantoor in beperkte mate weer kunnen plaatsvinden. We kijken samen met onze cliënten wat de beste manier is om elkaar te spreken. Als langskomen op kantoor verantwoord is, zullen we uiteraard de algemene richtlijnen van het RIVM opvolgen. Lees verder over corona en de behandeling van uw letselschade zaak

De impact van het coronavirus op uw letselschade

Het zijn bijzondere tijden. Het coronavirus heeft een grote invloed op ons leven. De regering heeft allerlei maatregelen getroffen om het virus in te dammen. Deze maatregelen hebben onvermijdelijk ook invloed op de behandeling en het verloop van letselschadezaken.

Geen huis-en kantoorbezoeken meer

In opvolging van de richtlijnen van het RIVM kunnen huisbezoeken en afspraken op kantoor niet meer doorgaan. Wij missen het persoonlijke contact met onze cliënten. Wij zijn gewend op huisbezoek te gaan om onze cliënten te spreken. Dan krijgen wij een beter en completer beeld van wat er speelt. Ook spreken wij dan vaak familieleden en soms bekijken wij huis en tuin om schadeposten te inventariseren zoals onderhoud, behoefte aan huishoudelijke hulp en voorzieningen.

Als alternatief maken wij nu gebruik van videobellen. Het is niet ideaal en fysiek contact heeft onze voorkeur, maar werkbaar is het wel.

Langer verloop letselschadezaak

Wij doen ons best uw letselschadezaak in beweging te houden. Het is echter mogelijk dat het verloop van uw letselschade onverhoopt langer gaat duren als gevolg van het coronavirus. Een letselschade dossier wordt afgerond indien sprake is van een ‘medische eindsituatie’: wanneer u (zo goed mogelijk) bent hersteld van het letsel. Veel zorg wordt nu echter uitgesteld, waardoor mogelijk uw herstel vertraagt en het bereiken van deze eindsituatie langer zal duren.

Medische informatie is van groot belang bij de beoordeling van uw letsel en voor het vaststellen van de aard en omvang van uw letselschade claim. Het aanleveren van medische informatie duurt momenteel langer dan wij gewend zijn. Artsen en behandelaren zijn ook druk en hebben minder tijd en ondersteuning om informatieverzoeken te beantwoorden.

In sommige letselschadezaken is het nodig om een onderzoek door een onafhankelijke arts te laten verrichten: een medische expertise. Deze expertise geeft bijvoorbeeld een goed inzicht of de klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval en antwoord op de vraag of uw letsel in de toekomst nog kan verslechteren. Vanwege de maatregelen omtrent het coronavirus, kunnen deze medische expertises niet plaatsvinden. Het uitstellen van de medische expertises brengt langere wachttijden voor de afhandeling van de letselschade claim met zich mee.

Wat kunt u van ons verwachten?

In de tussentijd blijven wij ons zo goed mogelijk voor u inzetten. We doen ons best de behandeling van uw letselschadezaak zo goed als mogelijk door te laten lopen.

Natuurlijk hebben we er begrip voor dat ook bij de aangesproken verzekeraar medewerkers vanuit huis werken.  Dit leidt tot vertraging en heeft invloed op de bereikbaarheid van verzekeraars. We verwachten echter dat alle partijen die betrokken zijn bij het behandelen van uw letselschadezaak hun best doen om de schaderegeling soepel te laten verlopen. Wij zullen de verzekeraars blijven benaderen en zullen wanneer nodig, om een voorschot vragen.

Wat kunt u doen?

Reguliere medische behandelingen liggen momenteel veelal stil. Wij adviseren u zoveel mogelijk thuis aan uw herstel te blijven werken. Wellicht is het mogelijk dat de fysiotherapeut u oefeningen meegeeft om thuis te doen en kunt u telefonisch in contact blijven met uw psycholoog. Daarnaast is het van belang om uw klachten en beperkingen telefonisch te blijven melden bij ons en uw behandelaar.

Vragen?

Heeft u vragen over de invloed van het coronavirus op uw letselschade? Of heeft u letsel opgelopen en nog geen letselschadeadvocaat? Neemt u dan gerust contact met ons op. Ook tijdens deze crisis staat Spetter advocaat & mediator graag voor u klaar. Wij blijven telefonisch (033-2100112) en per mail (info@spetteradvocaat.nl)  bereikbaar.

Via deze weg wil ik u oprecht bedanken voor alles wat u voor mij heeft gedaan!

Beste Maya,

Via deze weg wil ik u oprecht bedanken voor alles wat u voor mij heeft gedaan!

Groetjes Rania

 

Krijgt een uitzendkracht het loon doorbetaald tijdens ziekte of na een arbeidsongeval?

Heeft een uitzendkracht die ziek wordt, of bijvoorbeeld een arbeidsongeval krijgt, recht op loondoorbetaling door het uitzendbureau? Hierover oordeelde het gerechtshof Den Haag in hoger beroep in een uitspraak van 17 maart 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:460).

Een uitzendkracht komt tijdens zijn werkzaamheden met zijn hand in een machine en loopt daardoor letsel op. Twee vingers van zijn rechterhand worden deels geamputeerd. Het uitzendbureau weigert hem loondoorbetaling en beroept zich op het uitzendbeding, een ontbindende voorwaarde die bepaalt dat de arbeidsovereenkomst van de uitzendkracht met het uitzendbureau automatisch eindigt op het moment dat de uitzendkracht ziek wordt of een arbeidsongeval krijgt en daardoor niet meer kan werken.

Het gerechtshof stelt vast dat in de wet staat dat een arbeidsovereenkomst niet kan worden opgezegd tijdens ziekte; er geldt een opzegverbod. De wet bood tot 1 juli 2015 nog de mogelijkheid om hiervan bij cao af te wijken. Hiervan is gebruik gemaakt in het desbetreffende uitzendbeding. Als gevolg van een wetswijziging per 1 juli 2015 is deze mogelijkheid om bij cao af te wijken van het opzegverbod tijdens ziekte echter vervallen. Vanaf 1 juli 2015 is het uitzendbeding bij ziekte of arbeidsongeschiktheid dan ook in strijd met de wet.

De rechtbank was in eerste aanleg nog wel uitgegaan van de rechtsgeldigheid van het uitzendbeding bij ziekte.

Deze uitspraak schept duidelijkheid voor uitzendkrachten. Ook deze hebben recht op loondoorbetaling door het uitzendbureau dat hen inhuurt wanneer zij ziek worden of uitvallen door een ongeval.

Uitspraak: Gerechtshof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2020:460

Start van de strafzaak inzake MH17 op 9 maart 2020

Het Openbaar Ministerie heeft medio 2019 bekendgemaakt dat zij vier verdachten wil vervolgen voor de MH17-ramp. Hierop is een Rechtsbijstandsteam (RBT) opgericht om alle nabestaanden juridische hulp te verlenen. Het RBT bestaat uit negen Nederlandse advocaten. Maya Spetter is zowel één van de leden van het opgerichte RBT als van het Kernteam MH17. 

Maandag 9 maart 2020 is bij de rechtbank Den Haag, locatie Schiphol, de strafzaak tegen de eerste vier verdachten uit Rusland en Oekraïne begonnen. Naar verwachting zal het strafproces lange tijd in beslag nemen. De rechtbank heeft tot in het voorjaar van 2021 een groot aantal zittingsdagen gereserveerd voor het proces. De verdachten worden vervolgd voor het neerhalen van vlucht MH17 en de moord op alle 298 inzittenden en het laten verongelukken van het vliegtuig.

De eerste zittingsdag was inventariserend van aard. Er is gekeken naar wie is er verschenen, of zij goed zijn opgeroepen. Maar ook; hoe ziet het dossier er uit? Is het dossier compleet of komt er nog iets bij en heeft de verdediging nog wensen? De voorzitter heeft de positie van de nabestaanden geschetst. In de afgelopen jaren is de positie van nabestaanden in het strafrecht versterkt.

In de strafzaak hebben de nabestaanden van de slachtoffers belangrijke rechten. Zij hebben recht op informatie over de voortgang van het stafproces en kennisneming van het dossier. Daarnaast hebben zij recht op uitoefening van het spreekrecht. Het spreekrecht is het recht voor slachtoffers of nabestaanden om tijdens een strafrechtelijke procedure een verklaring af te leggen. De Rechtbank zal zittingsruimte reserveren voor de nabestaanden die gebruik willen maken van het spreekrecht.

Er kan ter zitting worden gesproken. De slachtoffers van de nabestaanden krijgen de mogelijkheid om te vertellen wat de impact is geweest van de MH17-ramp. Op deze manier kunnen zij de ernstige gebeurtenis een emotionele plek geven. Hiernaast bestaat ook de mogelijkheid tot een schriftelijke slachtofferverklaring. In sommige gevallen kiest een nabestaande er bewust voor om zijn verklaring niet mondeling aan de rechtbank bekend te maken.

Tot slot kunnen nabestaanden een vordering tot schadevergoeding indienen tijdens het strafproces. Hiervoor is vereist dat het gaat om schade die in rechtstreeks verband staat met het handelen van de verdachte. Alleen de nabestaanden die geen (volledige) schadevergoeding hebben gekregen, kunnen een schadevergoedingsvordering indienen tijdens het MH17-strafproces.

 

Belangrijke informatie met betrekking tot het coronavirus en uw letselschade

De uitbraak van Covid-19 heeft grote maatschappelijke en sociale gevolgen. We moeten er samen voor zorgen dat we risico-contact vermijden, om zo verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. We houden ons hierbij aan de maatregelen en adviezen van de overheid. Dat betekent dat we alle fysieke afspraken zoveel mogelijk verzetten en afspraken middels bijvoorbeeld beeldbellen inplannen. Verder werken we zoveel mogelijk vanuit huis.

We willen ons uiteraard zo goed mogelijk voor u blijven inzetten. We blijven telefonisch (033-2100112) en per email bereikbaar voor vragen over uw letselschadezaak. Ook kunt met ons overleggen via Skype of WhatsApp beeldbellen. We kijken graag met u naar passende mogelijkheden.

Recente ontwikkelingen in klachtzaak bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake MH17

Namens een grote groep van ruim 300 nabestaanden van slachtoffers van de vliegramp met MH17, is er door het Nederlandse kernteam MH17 in juli 2018 een klacht ingediend tegen de Russische federatie bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te Straatsburg. Mr. Maya Spetter is één van de leden van dit kernteam. Inmiddels hebben zich nog meer nabestaanden bij deze klachtprocedure aangesloten.

De nabestaanden beschuldigen Rusland van het neerhalen van de MH17-vlucht boven Oost-Oekraïne. Het vliegtuig was in juli 2014 onderweg van Amsterdam naar Kuala Lumpur. Alle 298 inzittenden kwamen om, onder wie 196 Nederlanders. Onderzoek wees uit dat het vliegtuig uit de lucht werd geschoten door een Russische Boek-raket. Ook zouden de Russen vervolgens internationale pogingen tot waarheidsvinding hebben tegengewerkt. De nabestaanden zeggen dat Rusland hun grondrechten heeft geschonden, door het neerhalen van het toestel van Malaysia Airlines boven Oekraïne op 17 juli 2014 en het dwarsbomen van het daaropvolgende onderzoek. Ze houden Rusland daarvoor direct of indirect verantwoordelijk, staat in de aanklacht.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens neemt dus de klachten van de nabestaanden van de ramp met vlucht MH17 in behandeling.

Verweer Russische federatie

In januari 2020 heeft de Russische federatie bij het Europese Hof inhoudelijk gereageerd op deze klacht door middel van een processtuk van negentig pagina’s en duizenden pagina’s aan bijlagen. Rusland wijst alle verantwoordelijkheid voor de ramp af.

Rusland stelt onder meer dat (i) er geen bewijs is voor de betrokkenheid van Rusland bij de ramp met vlucht MH17 en (ii) Rusland geen verantwoordelijkheid draagt voor het onderzoek naar de ramp en (iii) het Europese Hof onze klacht tegen Rusland om deze reden niet in behandeling kan nemen.

Ook in deze klachtprocedure trekt Rusland het bewijsmateriaal in twijfel. Zij stelt onder andere dat tapgesprekken gemanipuleerd en foto’s  en video’s  nep zouden zijn. Onderzoekers zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid en het Joint Investigation Team (JIT) zouden hun bevindingen baseren op onjuiste en vervalste informatie.

De Nederlandse regering heeft al aangekondigd dat het in deze zaken zal interveniëren. Een betrokken land kan de rechters zo laten weten dat het de klachtindieners steunt. Het is een ongewone stap, die volgens premier Rutte past „in het streven om degenen die verantwoordelijk zijn voor deze tragedie aan te pakken”.

Inmiddels heeft het Europese Hof de klagers tot 1 september 2020 uitstel verleend om te reageren op het verweerschrift van de Russische federatie.

Enorm bedankt voor jullie inzet en deskundigheid

Beste Maya en het team, enorm bedankt voor jullie inzet en deskundigheid,

Fatima

Als gevolg van letselschade verhuizen naar een duurder huis?

In 2007 komen twee fietsers met elkaar in botsing. Het slachtoffer loopt daarbij blijvend letsel aan zijn linkerknie op. Door het letsel moet zijn huis ingrijpend worden aangepast. Dit blijkt niet mogelijk, het slachtoffer moet verhuizen. De veroorzaker van het ongeval is verzekerd bij Univé. Moet Univé financieel bijspringen bij het kopen van een passend, maar duurder huis?

Letselschade

Als gevolg van het knieletsel maakt het slachtoffer in huis gebruik van krukken en een rollator. Buitenshuis van een rolstoel en/of scootmobiel. Het gebruik van de krukken en de rollator is echter fysiek belastend en het zou beter zijn als slachtoffer in huis een trippelstoel zou gebruiken. Hiermee kan hij zich gemakkelijk door het huis verplaatsen. De huidige woning van het slachtoffer is daarvoor niet geschikt.

Verhuizing noodzakelijk?

Partijen vragen een ergotherapeut om te onderzoeken of de huidige woning aangepast kan worden zodat deze wel rolstoelgeschikt wordt. En als dat niet mogelijk is, wat dan een passend alternatief kan zijn. De ergotherapeut heeft een onafhankelijk rapport opgemaakt. Daarin staat dat de woning waar het slachtoffer nu woont niet rolstoeltoegankelijk te maken is. Verhuizen is de enige optie.

Daarnaast heeft de ergotherapeut onderzocht welke woningen wel passend (te maken) zijn. Dergelijke woningen zijn ongeveer € 300.000 duurder dan het budget van het slachtoffer toelaat.

Standpunt partijen

Het slachtoffer vindt dat Univé hem in staat moet stellen een passende of aan te passen woning te kopen. Hij moet zoveel mogelijk in de situatie worden gebracht zoals die was voor het ongeval. Daarom kan van hem niet worden gevraagd dat hij genoegen neemt met een verhuizing naar een appartement. Hij had immers een woning met een tuin.

Univé wijst de verzoeken van het slachtoffer af. De man moet inderdaad verhuizen, maar Univé vindt verhuizing naar een appartement een passend alternatief. Dit kan het slachtoffer zelf financieren. Univé vindt het dan ook niet redelijk dat zij moet bijdragen aan de aankoop van een duurder huis.

Partijen komen er niet uit. Het slachtoffer begint met zijn letselschade advocaat een deelgeschilprocedure.

Verhuizen van een woning met tuin naar een appartement?

Verhuizen naar een appartement is ook volgens de rechtbank geen passend alternatief. De rechtbank overweegt het volgende:

‘’De rechtbank stelt voorop dat Univé de schade die [verzoeker] door het ongeval lijdt volledig moet vergoeden. Dit uitgangspunt volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 (NJ 2009/387). In dit arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een benadeelde in een situatie moet worden gebracht die zoveel mogelijk vergelijkbaar is met de situatie zoals die zou zijn als het ongeval niet zou zijn gebeurd, en dat dat leidend is bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.’’

Het slachtoffer woont momenteel in een 2-onder-1-kapwoning met tuin. De rechtbank is het met het slachtoffer eens dat verhuizing naar een appartement geen passend alternatief is. Het zou een verslechtering van zijn woonsituatie zijn. Het slachtoffer heeft recht op een gelijkwaardige woonsituatie, in dit geval een woning mét tuin.

Vergoeding van de schade

Univé moet de schade vergoeden die het slachtoffer lijdt. Partijen zijn het er over eens dat het slachtoffer een andere woning moet kunnen kopen. Wanneer het slachtoffer financieel gezien niet in staat is een andere woning te kopen, zal Univé in dat tekort moeten voorzien. Hoe dient Univé dat te doen? De rechtbank stelt voor dat Univé garant staat voor het gedeelte van de koopsom waarvoor het slachtoffer zelf geen hypothecaire lening kan krijgen.

Verrekening van voordeel?

Univé doet ook een beroep op voordeelsverrekening. De rechtbank is het met Univé eens dat als het slachtoffer eigenaar wordt van een duurder, groter huis, dat een voordeel kan opleveren. ‘’Door de eigendom van een duurder huis neemt zijn vermogen toe, maar daarvan geniet hij pas daadwerkelijk voordeel als hij het huis verkoopt of er op een andere manier financieel voordeel aan ontleent.’’, oordeelt de rechtbank. “Of en wanneer dat zo zal zijn en welk bedrag daarmee gemoeid zal zijn is niet op voorhand vast te stellen. De prijzen van huizen fluctueren immers en een waardestijging of -daling is niet goed te voorspellen.”

Verrekening van mogelijk voordeel door een toename van het vermogen van het slachtoffer is nu niet redelijk.

Het letselschadeslachtoffer hoeft geen genoegen te nemen met wat de verzekeraar de goedkoopste of beste oplossing vindt.

Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neemt u dan contact op met ons op.

Uitspraak: Rechtbank Midden-Nederland  https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:6436

Letselschade en verzorgende partner. Redelijke kosten van verzorging door partner

Iemand loopt ernstig letsel op door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Intensieve en langdurige verpleging en verzorging thuis is noodzakelijk. Wat als de partner de noodzakelijke verpleging en verzorging op zich neemt in plaats van deze over te laten aan professionele hulpverleners? Op welke vergoeding heeft de partner van het slachtoffer met letselschade dan recht? Hierover oordeelde de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een uitspraak van 20 april 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:2502)

Letselschade

Een man wordt met een mes in zijn borstkas gestoken. Hij wordt vervolgens behandeld in het ziekenhuis aan zijn letselschade. Tijdens de behandeling is een perforatie in de darm ontstaan, waardoor een blijvende stoma moest worden aangebracht. Het ziekenhuis erkent aansprakelijkheid voor de gevolgen van de gemaakte fout.

De man woont zelfstandig. Zijn partner en de kinderen wonen elders. De man krijgt een Persoonsgebonden Budget (PGB) voor zijn persoonlijke verzorging. Voor de hulp uit het PGB geldt een tarief van € 23 per uur. Dat is het tarief dat geldt voor ‘informele zorg’. De zorg en verpleging wordt door zijn niet-inwonende partner verleend. Zij heeft haar baan als administratief medewerker hiertoe opgezegd.

In geval van professionele zorg door een wijkverpleegkundige zal de man minstens € 38 per uur kwijt zijn, zijnde het uurtarief binnen het PGB voor ‘formele zorg’. En in het weekend en in de avonduren ligt het tarief vaak nog hoger. Indien meer gespecialiseerde hulp nodig is, dan kost de hulp al gauw € 56 – € 160 per uur, afhankelijk van de soort zorg.

De man vordert een vergoeding van € 30 per uur voor de hulp door zijn partner. Hij knoopt daarbij aan bij het ‘formele tarief ’ van de Zorgverzekeringswet voor wijkverpleegkundigen. Hij vraagt de Rechtbank te bepalen dat een vergoeding van € 30 per uur redelijk is.

Oordeel rechtbank

De rechtbank weegt allereerst in haar oordeel mee dat uit HR 28 mei 1999 ECLI:NL:HR:1999:ZC2912 (Losser/Kruidhof) volgt dat de rechter geen hogere vergoeding voor de kosten de verpleging en verzorging mag toewijzen dan het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van professionele hulp. In deze zaak ligt de verzochte € 30 per uur voor de verpleging en verzorging onder de kosten van professionele hulp.

Vervolgens stelt de rechtbank dat de door de partner verleende zorg een overwegend beroeps- of bedrijfsmatig karakter heeft. Hierdoor knoopt de rechtbank bij de begroting van de schade aan bij het ‘formele tarief’, het eerder genoemde bedrag van minimaal € 38 per uur, in plaats van de voor ‘informele zorg’ geïndiceerde € 23 per uur.

De rechtbank oordeelt dat een vergoeding van € 30 per uur voor de zorgverlening door de partner van verzoeker redelijk is. Het verzoek wordt toegewezen.

Zorgtarief

In letselschadezaken bestaat vaak discussie over de vergoeding van de hulp die door familieleden of partners wordt verleend. Verzekeraars willen vaak niet meer betalen voor deze hulp dan een ‘mantelzorg tarief’ van € 9,50 per uur. Maar wat als een familielid zijn baan heeft opgezegd om deze hulp te bieden? Is een dergelijke vergoeding dan niet veel te laag.

De Letselschaderaad hanteert voor mantelzorg sinds 2018 een uurtarief van € 9,50. Dit is echter een tarief voor gewone huishoudelijke taken en niet geschikt om de zorgkosten te compenseren. De tarieven voor zorg liggen hier immers ver boven.

De Hoge Raad heeft bepaald dat voor de vergoeding van de kosten van verpleging en verzorging geen hogere vergoeding hoeft te worden betaald dan het geschatte bedrag van de bespaarde kosten van professionele hulp. Dat zou voor deze man liggen op € 38 per uur. Nu de man een vergoeding vorderde van € 30 per uur vond de Rechtbank dat redelijk en wees zij de vordering toe.

Met deze uitspraak wordt dus de koers van het arrest Losser/Kruidhof voortgezet.

Uitspraak: Rechtbank Zeeland-West-Brabant ECLI:NL:RBZWB:2019:2502

Letselschade tijdens bedrijfsuitje

In het kader van een bedrijfsuitje ontstaat regelmatig letsel. In deze zaak  ging men varen en ontstond er rugletsel. Het slachtoffer stelt de organisator van de vaartocht aansprakelijk.

Letselschade tijdens vaartocht

Een man maakt tijdens een bedrijfsuitje een boottocht met een Rigid Inflatable Boat (RIB), een rubberboot met een stevige romp. De boot voer van Rotterdam naar Scheveningen. In Scheveningen aangekomen, blijkt de man niet van zijn stoel af te kunnen komen. Hij wordt met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar blijkt dat hij twee inzakkingsfracturen heeft van rugwervels.

De man stelt de organisator van de boottocht aansprakelijk voor zijn letselschade. Hij voert aan dat zijn letsel het gevolg is van ernstige geweldsinwerking. Blootstelling hieraan levert volgens hem aansprakelijkheid op voor zijn letselschade. Daarnaast stelt hij dat de organisator onvoldoende rekening heeft gehouden met het risico dat in de kracht van de boot ligt. Het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2019:948) behandelde deze zaak.

Sport- en spelsituatie

In deze zaak gaat het om letsel dat is ontstaan tijdens een risicovolle activiteit. Dit is van belang bij de beoordeling van aansprakelijkheid. Ook is het belangrijk of er sprake is van een zogenoemde sport- en spelsituatie. Is er sprake van een sport- en spelsituatie, dan is de organisator minder snel aansprakelijk voor het letsel.

Het Hof overwoog dat het een vaartocht met een RIB betreft, waarbij van de passagiers een actieve lichaamshouding en een zeker incasseringsvermogen werd verlangd. Er was sprake van een situatie waarvan de deelnemers wisten en ermee instemden dat er daadwerkelijk enige ‘actie’ op het water zou zijn, die in zoverre dan ook vergelijkbaar is met een sport- of spelsituatie, aldus het Hof.

Voor aansprakelijkheid van de organisator is dan ook meer nodig dan de aanwezigheid en het zich realiseren van risico’s. Er zal sprake moeten zijn van bijkomende omstandigheden, waarbij met name gedacht kan worden aan het veroorzaken van groter gevaar dan waarop de deelnemers bedacht moesten zijn. Volgens het Hof is niet komen vast te staan dat er sprake is van bijkomende omstandigheden, en met name niet dat de organisator de man heeft blootgesteld aan een groter gevaar dan waarop hij bedacht moest zijn.

Tot slot is niet vast komen te staan dat het rugletsel alleen het gevolg kan zijn van een ernstige geweldsinwerking, hetgeen de man stelde. Het kan bijvoorbeeld ook door het ongelukkig of onhandig opvangen van de man zelf zijn gekomen. Het Hof concludeert dat de organisator van de boottocht niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat aan boord van de RIB heeft plaatsgevonden.

In deze uitspraak is de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel van sport- en spelsituaties toegepast ten aanzien van een vaartocht. Hierdoor krijgt de man ondanks zijn letsel, zijn schade niet vergoed. De feitelijke omstandigheden van het geval zijn van groot belang. Dergelijke omstandigheden kunnen leiden tot het al dan niet toepassen van de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel van sport- en spelsituaties.

Wilt u meer informatie over opgelopen letselschade? Neemt u dan contact met ons op.

Uitspraak: Hof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2019:948 

Ongeval tijdens uitje in escape room

Er ontstaat regelmatig letsel tijdens een kantooruitje. In deze zaak ging een man met zijn collega’s naar een escape room, in het kader van teambuilding. De man stootte hard zijn hoofd en liep hersenletsel op. In de uitspraak van 20 juni 2019 (ECLI:NL:RBMNE:2019:2914) buigt de Rechtbank Midden-Nederland zich over de vraag of de eigenaar van de escape room aansprakelijk is voor de letselschade.

Val in escape room

Een man deed tijdens een kantooruitje mee aan het spel ‘Prison Island’. Het spel Prison Island bestaat uit 24 cellen, waarbij in elke cel opdrachten en puzzels moeten worden uitgevoerd. Bij het uitvoeren van één van de opdrachten, waarbij de man een tunnel in moest gaan, heeft hij hard zijn hoofd gestoten. Als gevolg hiervan heeft hij hoofdletsel opgelopen.

Eigen schuld?

De man stelt de eigenaren van de escape room aansprakelijk voor zijn letselschade. Het licht viel plotseling uit toen hij zich bukte om te tunnel in te gaan, waardoor hij zij hoofd stootte. Hij stelt dat ze niet de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen hebben getroffen om het letsel aan zijn hoofd te voorkomen. Door deze veiligheidsmaatregelen niet te nemen hebben de eigenaren onrechtmatig gehandeld en heeft hij letselschade opgelopen.

De eigenaren stellen echter dat de ledverlichting altijd blijft branden gedurende het spel. Daar komt bij dat het algemeen bekend is dat het spel Prison Island een spannend spel is waar fysieke inspanning voor nodig is. Bepaalde elementen, zoals een gematigde verlichting, zijn er juist voor om het spel voor de deelnemers spannend te maken. Dit wordt ook vooraf getoond in een instructiefilm.

De centrale vraag is of de eigenaren voldoende veiligheidsmaatregelen hebben getroffen om ongevallen met letselschade te voorkomen.

Aansprakelijkheid voor letselschade

Er kan pas sprake zijn van aansprakelijkheid voor letselschade indien deelnemers bij het spel in situaties konden komen die zo gevaarlijk waren dat zij daarvoor expliciet gewaarschuwd hadden moeten worden. Deze zaak en de zaak die bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant voorlag, bieden goed vergelijkingsmateriaal wanneer hiervan wel of geen sprake is. Over de zaak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant schreven wij eerder een blog (Lees verder). In die situatie hoefden de deelnemers niet bedacht te zijn op enige fysieke bedreiging, waardoor er van de eigenaren wel mag worden verwachten dat zij de deelnemers waarschuwen. Daarom is in die zaak de eigenaar wel aansprakelijk voor de letselschade.

De rechtbank is van mening dat dit hier niet het geval is. Het feit dat de kamer maar schaars verlicht was, levert geen gevaarlijke situatie op. Dit is juist een onderdeel van het spel. Het hoort bij het spel dat er sprake is van enige geheimzinnigheid, spanning en verassing. Zodoende hadden de eigenaren van de escape room hier niet voor hoeven waarschuwen. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Van belang is dat een slachtoffer met een letselschade claim zo duidelijk mogelijk stelt waarom er in het concrete geval een potentieel gevaarlijke situatie bestaat waarvoor moet worden gewaarschuwd of aanvullende veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen.

Wilt u meer informatie of advies over opgelopen letselschade onder werktijd of tijdens een kantooractiviteit of uitje? Neemt u dan contact met ons op.

Uitspraak: Rechtbank Midden Nederland ECLI:NL:RBMNE:2019:2914

Ongeval op het werk en letselschade

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Veel ongelukken gebeuren thuis of op het werk.

Wat nu als u schade oploopt bij een ongeval onder werktijd? Is uw werkgever dan aansprakelijk voor uw letselschade? In een uitspraak van 22 juli 2019 gaat de Rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2019:6423) hier nader op in.

Letselschade tijdens het werk

Een 37-jarige vrouw is aan het werk in een kantoorpand. Zij is op weg naar een kantooroverleg en loopt, met haar laptop in de hand, van de 17e naar de 16e verdieping. Wanneer zij de trap afloopt, glijdt zij uit en valt zij met haar hoofd tegen een betonnen muur en loopt als gevolg hiervan hersenletsel op.

Is haar werkgever aansprakelijk voor haar letselschade?

De vrouw stelt haar werkgever aansprakelijk voor haar letselschade. Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitvoering van haar werk. Zij stelt dat er sprake is van een schending van de op haar werkgever rustende zorgplicht ten aanzien van het gebruik van de trap.

De werkgever stelt  dat er geen sprake is van een zorgplicht schending. De trap waar de vrouw op is gevallen, is veilig en voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ten aanzien van het gebruik van de trap geldt er geen waarschuwings- of instructieplicht.

De toedracht van het arbeidsongeval kan niet worden vastgesteld. Het bedrijf heeft geen onderzoek gedaan naar hoe het ongeval plaats heeft kunnen vinden, en ook niet naar de omstandigheden in het trappenhuis en de toestand van de trap. Na het ongeval heeft de werkgever echter wel gele markeringen aangebracht in het gehele trappenhuis.

Werkgeversaansprakelijkheid voor letselschade

Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade oploopt, is de werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk voor de schade. Wanneer de werkgever aan aansprakelijkheid wil ontkomen, zal de werkgever moeten aantonen dat hij zijn zorgplicht voor de veiligheid van het werk heeft nageleefd òf dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit laatste wordt niet snel aangenomen.

In de zaak van de kantoor medewerkster beoordeelt de rechtbank allereerst waar de zorgplicht van de werkgever uit bestaat en vervolgens of deze zijn zorgplicht heeft geschonden. De rechtbank stelt dat de zorgplicht zich ook uitstrekt over het gebruik van de trap in het trappenhuis. De rechtbank oordeelt dat deze werkgever niet alle redelijkerwijs te nemen maatregelen heeft genomen om het specifieke ongeval te voorkomen, terwijl deze maatregelen niet onmogelijk of bezwaarlijk waren. Na het ongeval heeft de werkgever immers maatregelen genomen en gele markeringen aangebracht op de trap. De werkgever heeft dus zijn zorgplicht geschonden.

Tot slot toetst de rechtbank voor wiens risico het komt dat de toedracht van het arbeidsongeval niet kan worden vastgesteld. Volgens de rechtbank komt het voor rekening en risico van de werkgever dat er misschien een andere oorzaak is voor de valpartij. Het komt de werkgever dus duur te staan dat deze geen onderzoek naar de toedracht heeft laten instellen. De werkgever is aansprakelijk voor het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade.

Alledaagse risico’s

Als een werknemer een ongeval krijgt onder werktijd, hoeft de werknemer niet te bewijzen dat het ongeval aan de werkgever te wijten is. Het is aan de werkgever om te bewijzen dat hij heeft gezorgd voor veilige werkomstandigheden.

Toch hoeft dit niet altijd te betekenen dat de werkgever aansprakelijk wordt gehouden voor een arbeidsongeval. In 2020 stelde het Hof Amsterdam dat in alledaagse situaties waarbij er alledaagse risico’s aanwezig zijn, de werkgever in beginsel geen veiligheidsmaatregelen hoeft te treffen (ECLI:NL:GHAMS:2020:2389).  Het ging toen om een uitzendkracht die met een koevoet van de trap liep in het bedrijf waar hij moest werken. Hij viel van de trap en had een gebroken pols en uitvalverschijnselen in zijn benen. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de werkgever in dit geval niet aansprakelijk was.

Het verschil tussen deze zaak en die van de vrouw die hersenletsel opliep, is dat zijn werkgever kon bewijzen dat hij maatregelen had getroffen om het gevaar van struikelen en vallen op de trap tegen te gaan. Daarnaast beschikte de werkgever over kwaliteitscertificaten en had de uitzendkracht een cursus gevolgd, een werkinstructie ontvangen en was hij voorzien van een helm en veiligheidsschoenen. Er waren volgens het hof geen verdere veiligheidsmaatregelen nodig.

In het geval van de vrouw met hersenletsel had de werkgever blijkbaar meer kunnen doen om het gevaar van vallen op de trap tegen te gaan. Dit werd afgeleid uit het feit dat de werkgever na het ongeval gele markeringen in het trappenhuis heeft geplaatst. Daarbij had de werkgever geen onderzoek ingesteld naar de oorzaak van het ongeval. Dit gebrek aan bewijs werd hem fataal na de vervelende val van zijn werkneemster.

De wetgever komt dus de werknemer die slachtoffer wordt van een arbeidsongeval tegemoet. De werkgever is aansprakelijk tenzij hij aantoont dat hij voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen om het ongeval te voorkomen. Gaat het echter om een alledaags risico en heeft de  werkgever alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen dan hoeft hij de schade niet te vergoeden.

Vragen of advies?

Het betreft hier werkgever-werknemers relaties, maar ook een ZZP’er kan slachtoffer worden van een ongeval op het werk met letselschade tot gevolg. Wilt u weten wat u kunt doen wanneer u letselschade heeft opgelopen als gevolg van een ongeval tijdens het werk? Of heeft u hulp nodig bij het vaststellen van aansprakelijkheid of begroten en verhalen van uw letselschade? Neemt u dan gerust contact op met ons op.

letselschade zelfstandigen

Conflict met verzekeringsmaatschappij over arbeidsongeschiktheidsverzekering

Ik heb Maya Spetter ervaren als een zeer gedegen en vakkundig advocaat die heldere adviezen geeft, de verwachtingen goed managet, het proces goed bewaakt, waarmaakt en na komt wat zij zegt. Ze heeft vooraf aangegeven dat waar mogelijke problemen zouden kunnen komen en ze heeft haar vakkundige mening gegeven over het realistische en haalbare. Tegen zodanige kosten dat de verzekeraar alle juridische- en bijkomende adviseurskosten heeft vergoed. En na zes jaar is de verzekeraar overgegaan tot volledige betaling.

Voor mij (als ondernemer die ziek is geworden en dus aanspraak moest maken op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering) is Maya een rustpunt geweest in een hele moeizame en voor mij onverwachte discussie in een heel lastig traject.  De verzekeraar die zes jaar lang heeft geprobeerd onder de uiteindelijk terecht gebleken claim uit te komen; hiervoor hebben ze alles uit de kast getrokken om niet uit te hoeven keren. Ik geef dus een hele negatieve aanbeveling over de Arbeidsongeschiktheidsverzekeraar. Maar een warme aanbeveling geef ik uit volle overtuiging aan Maya Spetter die mij in dit traject heeft begeleid en mijn zaak heeft behartigd.

Aantal en hoogte medische claims in 2018 gestegen

Verzekeraar MediRisk meldt dat het aantal medische claims over 2018 is toegenomen en dat de hoogte van de claims is gestegen. Dit schrijft de zorgnieuwssite Skipr op 11 september 2019. Het gemiddelde claimbedrag is volgens de verzekeraar met 20 procent toegenomen. Daarmee stijgt het gemiddelde claimbedrag van 46.000 euro naar 55.000 euro. Als de afgewezen claims niet worden meegeteld komt het gemiddelde claimbedrag zelfs uit op 80.000 euro.

De hoogste bedragen worden uitgekeerd voor medische fouten bij geboortes. De bedragen betreffen dan vaak een vergoeding van smartengeld, een vergoeding van juridische kosten en een compensatie voor bijvoorbeeld extra zorgkosten. Verder meldt de verzekeraar dat het aantal claims ook groeit door schade met implantaten en door dwarslaesies.

Centramed, een andere aanbieder van medische aansprakelijkheidsverzekeringen, geeft aan deze ontwikkelingen te herkennen. Een verharding van ingenomen standpunten, zou volgens Centramed de oorzaak zijn.

De vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP), de belangenvereniging die zich inzet voor letselschadeslachtoffers, schrijft op haar website zich niet te herkennen in deze uitspraak en stelt dat de medische aansprakelijkheidsverzekeraars juist moeilijk te bewegen zijn tot een minnelijke regeling.

Ook ons kantoor constateert dat letselschadevergoedingen stijgen. Claims stijgen omdat slachtoffers geen beroep meer kunnen doen op bijvoorbeeld de WIA bij arbeidsongeschiktheid. Ook de kosten van zorg zijn hoger dan vroeger. Deze kosten worden soms niet meer volledig vergoed door de zorgverzekeraar. Ook het toenemende aantal zzp’ers leidt tot hogere schadeclaims. Deze groep is vaak slechter verzekerd en derft meer inkomsten na een ongeval.

De algehele tendens is dat de uit te keren bedragen stijgen. Dus ook wanneer het gaat om schade als gevolg van medische fouten.